Kinderalimentatie: the times they are a-changin

Is kinderalimentatie van openbare orde? In hoeverre mag rechter afwijken van een partijafspraak die in de aanloop naar de procedure is gemaakt? Contractsvrijheid van partijen kent ondergrens. HR 24 november 1972 is gegeven in een geheel andere tijd; sindsdien is er het nodige veranderd in het familierecht.
.
DE FEITEN
M en V zijn in 2009 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn twee (nu nog minderjarige) kinderen geboren, over wie partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. In 2017 gaan partijen uiteen. In hun ouderschapsplan komen zij overeen dat M maandelijks € 100 per kind aan kinderalimentatie aan V zal betalen. In artikel 7.1 van het ouderschapsplan staat dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven en dat wijziging van de kinderalimentatie slechts mogelijk is als sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat degene die wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan die overeenkomst kan worden gehouden. Inmiddels is de echtscheidingsprocedure aanhangig.
.
HET VERZOEK
V verzoekt de rechtbank de door M aan haar te betalen kinderalimentatie, in afwijking van het ouderschapsplan, vast te stellen op € 533 per kind per maand.
.
STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
V meent dat met de gemaakte afspraak de kinderen te kort worden gedaan. Zij wil dat de rechtbank zelf beoordeelt welke kinderalimentatie passend is, waarbij M wordt verplicht om zijn financiële gegevens te laten zien, zodat de alimentatie berekend kan worden. Daarbij gaat zij ervan uit dat M een bedrag van € 533 per kind per maand moet gaan betalen. Volgens V kan de rechter namelijk altijd afwijken van een partijafspraak over kinderalimentatie, omdat kinderalimentatie van openbare orde is.
M is van mening dat partijen gehouden zijn aan de door hen gemaakte afspraak. Volgens hem kan pas van de afgesproken alimentatie worden afgeweken, als voldaan is aan de in artikel 7.1 van het ouderschapsplan opgenomen voorwaarde (ingrijpende wijziging van omstandigheden). Die situatie doet zich hier niet voor, aldus M.
.
BEOORDELING

OPENBARE ORDE

De rechtbank overweegt als volgt. Over de vraag in hoeverre kinderalimentatie van openbare orde is en het de rechter vrijstaat om voorbij te gaan aan een door de ouders gesloten overeenkomst van kinderalimentatie, lijken in de jurisprudentie en in de literatuur verschillende opvattingen te bestaan. Degenen die betogen dat kinderalimentatie van openbare orde is, wijzen daarbij veelal op HR 24 november 1972 (NJ 1973, 288), waarin de Hoge Raad oordeelde dat de rechter die – op grond van artikel 1:406 BW (voor het eerst) – kinderalimentatie vaststelt, daarover zelfstandig oordeelt, met inachtneming van de wettelijke maatstaven, zonder gebonden te zijn aan wat de ouders onderling over die alimentatie zijn overeengekomen.
.
GEHEEL ANDERE TIJDEN
Bedacht dient echter te worden dat die uitspraak is gegeven in een geheel andere tijd, waarin na echtscheiding nog aan één van de ouders het gezag over de kinderen werd toegekend (werd benoemd tot ‘voogd’) en de andere ouder slechts tot ‘toeziend voogd’ werd benoemd. Sindsdien is er het nodige veranderd in het familierecht. Tegenwoordig is het uitgangspunt dat de ouders na de echtscheiding gezamenlijk het gezag uit blijven oefenen. Daarbij zijn zij sinds 1 maart 2009 verplicht om bij scheiding een ouderschapsplan te sluiten, waarin zij juist afspraken dienen te maken over (onder meer) de kinderalimentatie. De wetgever wil de ouders dus juist stimuleren om samen afspraken maken over de kinderalimentatie. Daarmee verdraagt zich niet goed dat de rechter vervolgens zomaar over deze gemaakte afspraak heen zou kunnen stappen. Wel heeft de wetgever (in artikel 1:400 lid 2 BW) bepaald dat overeenkomsten waarbij van het krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud wordt afgezien, nietig zijn. Daarmee heeft de wetgever als het ware een ondergrens gegeven voor de contractsvrijheid van partijen. Een door hen gemaakte afspraak kan niet tot gevolg hebben dat in feite wordt afgezien van de kinderalimentatie die volgens de wet verschuldigd zou zijn. Een beding dat verhindert dat de kinderalimentatie naar boven wordt bijgesteld, zal daar al snel mee op gespannen voet staan.
.
INHOUDELIJKE BEOORDELING
In dit geval heeft de rechtbank geen redenen om aan te nemen dat met de gemaakte afspraak (van € 100 per kind per maand) de kinderen te kort worden gedaan en dus zou worden afgezien van het volgens de wet verschuldigde levensonderhoud. V heeft die stelling niet verder met feiten en omstandigheden ingekleurd. Zij heeft slechts gesteld ‘geen idee’ te hebben welke bijdrage op grond van de wet en de feiten reëel was. Later in de procedure heeft zij weliswaar een berekening in het geding gebracht, maar in die berekening heeft V een willekeurig inkomen aan de kant van M opgenomen. Zij heeft immers ter zitting verklaard dat zij geen idee heeft wat M verdient. Bovendien is in die berekening geen rekening houden met het feit dat M nog onderhoudsplichtig is voor zijn kind uit een eerdere relatie.
Naar het oordeel van de rechtbank had meer van V kunnen worden verlangd. Zo had zij meer informatie kunnen geven over de bestedingen die partijen tijdens het huwelijk deden, wat hun woonlasten waren, hoe vaak zij op vakantie gingen, enzovoorts. Dan zou de rechtbank zich een beeld hebben kunnen vormen van hun welstand en een inschatting hebben kunnen maken of er reden was om M te verplichten gegevens te verstrekken en de gesloten overeenkomst te doorbreken. Dit had des te meer van V kunnen worden verlangd, nu zij tot voor kort vennoot was in de onderneming van M en zij – naar eigen zeggen – daar administratief werk deed.
.
EINDOORDEEL
Gelet op het voorgaande sluit de rechtbank aan bij de door partijen overeengekomen kinderalimentatie van € 100 per kind per maand, en wijst het verzoek van V af.
.
Rechtbank Midden-Nederland 7 maart 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2044 (publicatie 28 juni 2019)