Alimentatie nu en in de toekomst door Mw. mr. dr. M.L.C.C. Lücker

De alimentatie, zowel de onderhoudsbijdragen voor kinderen als voor ex-partners, is al jaren onderwerp van discussie. Moet alimentatie maatwerk blijven of dient alimentatie eerlijker, eenvoudiger en korter te worden zoals de indieners van twee initiatiefwetsvoorstellen tot wijziging van de kinder- en partneralimentatie willen?

1. Open normen

Een van de problemen bij het vaststellen van onderhoudsbijdragen is dat de wet geen invulling geeft aan de begrippen draagkracht en behoefte en de praktijk dus dient te werken met vage en open normen. De expertgroep alimentatienomen probeert al decennia lang een nadere invulling te geven aan de begrippen behoefte en draagkracht in de rapporten die nu jaarlijks worden aangepast. Daarmee wordt beoogd eenheid aan te brengen in de rechtspraak en ook maatwerk te leveren, maar dit laatste leidt in de praktijk ook tot kritiek op de fijnmazigheid en ingewikkeldheid van de berekeningen. Ook de politiek is van mening dat de huidige systemen te ingewikkeld zijn en is met twee wetsvoorstellen gekomen, een ten aanzien van de kinderalimentatie en een ten aanzien van de partneralimentatie.

2. Historie

De wetgever heeft al eerder geprobeerd nadere invulling te geven aan de begrippen behoefte en draagkracht bij met name de vaststelling van kinderalimentatie. Begin 1990 kwam de regering met een wetsvoorstel om de vaststelling van de kinderalimentatie te standaardiseren. Aanleiding was de door de Raden voor de Kinderbescherming geconstateerde ongelijkheid in de rechterlijke vaststelling van de kinderalimentatie en de roep om uniforme berekening van de kinderalimentatie1. De rechterlijke macht reageerde met het rapport “Kosten van Kinderen” waarnaar nog steeds wordt verwezen in de recente rapporten van de Expertgroep Alimentatienormen. De Expertgroep Alimentatienormen was van mening dat dit rapport het bezwaar van de wetgever dat er geen sprake was van uniforme alimentatieberekeningen zou wegnemen. Het wetsvoorstel Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de vaststelling van kinderalimentaties (23683) werd vervolgens ingetrokken.

Aan het begin van deze eeuw heeft de wetgever opnieuw voorgesteld om de kinderalimentatie forfaitair vast te stellen2. De Werkgroep alimentatienormen was echter van mening dat forfaitair vaststellen van de kinderalimentatie niet rechtvaardig zou zijn omdat niet langer maatwerk geleverd kon worden. In november 2006 werd het wetsvoorstel 29 480 ingetrokken.

Eind 2011 presenteerden PvdA en VVD een voorstel voor de vereenvoudiging van kinderalimentatie. De Expertgroep Alimentatienormen heeft daarop gereageerd met een voorstel tot vereenvoudiging van kinderalimentatie dat voor het eerst is verwerkt in de versie 2013 van het rapport Alimentatienormen. Door gebruik te maken van forfaitaire bedragen en tabellen zou de draagkracht voor kinderalimentatie gemakkelijker vastgesteld kunnen worden. Op 17 februari 2015 hebben de Tweede Kamerleden Recourt en Van der Steur een initiatiefwetsvoorstel (Wet herziening kinderalimentatie) bij de Tweede Kamer ingediend waarin een vereenvoudigde wijze van berekening van kinderalimentatie uitgangspunt is3.

De partneralimentatie en met name de limitering is ook al jaren onderwerp van politieke discussie. Op 1 juli 1994 trad na jaren van discussie de wet limitering alimentatie in werking4. Op 20 juni 2012 werd een initiatiefnota van de leden Van der Steur (VVD), Recourt (PvdA) en Berndsen (D66) over partneralimentatie ingediend5. Op dezelfde datum werd een – inmiddels verworpen – wetsvoorstel van Bontes van de PVV ingediend6 . In beide voorstellen wordt geadviseerd de duur van de partneralimentatie in principe terug te brengen tot 5 jaar. Op 19 juni 2015 is het initiatiefwetsvoorstel 34231 van de leden Van Oosten, Recourt en Berndsen-Jansen tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van enige andere wetten in verband met de herziening van het stelsel van partneralimentatie (Wet herziening partneralimentatie) ingediend, waarin onder andere naast verdergaande limitering ook werd voorgesteld de grondslag van de partneralimentatie te wijzigen.

De Raad van State heeft op 8 september 2016 zijn adviezen uitgebracht over deze wetsvoorstellen7. De Raad is zeer kritisch met name over het wetsvoorstel herziening partneralimentatie, waarvan de Raad vindt dat het niet in overeenstemming is met de maatschappelijke werkelijkheid, waarbij vrouwen nog altijd vaker parttime werken dan mannen in verband met de zorg voor de kinderen. Het wetsvoorstel herziening partneralimentatie is inmiddels ingrijpend gewijzigd bij Tweede Nota van Wijziging van 11 juni 20188. Het wetsvoorstel kinderalimentatie is op een paar ondergeschikte punten aangepast, maar blijft op de grote lijnen overeind9.

3. Wetsvoorstel herziening kinderalimentatie

Het wetsvoorstel herziening kinderalimentatie houdt een nieuwe vereenvoudigde wijze van berekening van kinderalimentatie in. In de huidige praktijk wordt voor de berekening van kinderalimentatie gebruikgemaakt van het rapport Alimentatienormen, dat normen en richtlijnen bevat die rechters kunnen toepassen bij het vaststellen van kinderalimentatie. In april 2013 zijn de alimentatienormen ingrijpend herzien om de berekening van kinderalimentatie te vereenvoudigen. Volgens de initiatiefnemers van het wetsvoorstel is het voor betrokkenen echter nog steeds onduidelijk hoe ze de berekening moeten maken. Zij hebben daarom een nieuwe rekensystematiek ontwikkeld. Zij zijn van mening dat de regels voor het berekenen van kinderalimentatie in de wet moeten worden vastgelegd om zo de rechtszekerheid te bevorderen en de verantwoordelijkheid voor de rekenregels bij de wetgever neer te leggen. De initiatiefnemers vinden het van fundamenteel belang dat de alimentatieberekeningen een wettelijke basis krijgen. De beste manier om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te verkrijgen is volgens hen een wettelijke verankering. Rechters zijn dan gebonden aan de rekensystematiek en kunnen hier slechts van afwijken als daarvoor een wettelijke mogelijkheid is gecreëerd. Burgers weten precies waar ze aan toe zijn en waar ze op kunnen rekenen.

In een aantal artikelen te weten de art. 1:395a tot en met art. 1:405b wordt nadere inhoud gegeven aan behoefte en draagkracht. In een AMvB worden regels vastgesteld hoe ouders dienen te voorzien in de behoefte van hun kinderen. Ouders dienen altijd tenminste een minimumbijdrage te betalen (art. 1:404 BW). Als ouders onvoldoende inzicht geven in hun draagkracht wordt bij AMvB een bedrag vastgesteld (art. 1:405a BW). De behoefte van het kind wordt in deze situatie van rechtswege op het maximale bedrag vastgesteld. Indien één van de ouders geen of onvoldoende inzicht geeft in deze inkomsten, dient de andere ouder slechts het minimumbedrag (gedacht wordt aan € 50,-) in de behoefte bij te dragen en de onwillige ouder het resterende bedrag. Indien beide ouders geen of onvoldoende inzicht geven in deze inkomsten dienen beiden voor de helft de behoefte te dragen. De initiatiefnemers verwachten hierdoor een sterke preventieve werking, waardoor het aantal procedures waarbij geen of onvoldoende inzicht in de relevante inkomsten wordt verstrekt tot een minimum zal worden beperkt In art. 1: 400 a BW wordt het begrip inkomsten nader ingevuld.

Bij de Raad van State rees de vraag waarom de initiatiefnemers kiezen voor een nieuwe systematiek. Naar het oordeel van de Raad van State is de toegevoegde waarde van een nieuwe systematiek voor de berekening van kinderalimentatie ten opzichte van het rapport Alimentatienormen onduidelijk. Weliswaar zijn de systemen op hoofdlijnen vergelijkbaar, maar in de uitwerking treden grote onduidelijkheden op. Verder zijn voorspelbaarheid en rechtszekerheid niet gediend met de invoering van een geheel nieuw rekensysteem. De Raad van State adviseert de rekensystematiek van het rapport Alimentatienormen in het initiatiefwetsvoorstel over te nemen. Ook in het wetsvoorstel partneralimentatie werd aanvankelijk een nieuwe rekensystematiek voorgesteld. Die rekensystematiek is inmiddels weer verlaten. Voorts is de raad van mening dat het begrip inkomsten nog steeds niet gedefinieerd is. De initiatiefnemers reageren door te stellen dat zij in tegenstelling tot de Expertgroep, die een open norm hanteert, in het wetsvoorstel kaders hebben gesteld waarbinnen de inkomsten van de ouders afgeleid kunnen worden. Initiatiefnemers definiëren wat niet binnen het begrip inkomsten valt en niet wat er wel onder moet worden verstaan zodat de rechtspraak voor maatwerk kan zorgen.

De vraag is echter wat dan de meerwaarde is van het voorstel. Het begrip inkomsten is lastig te omschrijven en wellicht moet dat ook niet in algemene zin geprobeerd worden.

Ook wordt een hardheidsclausule geïntroduceerd. Deze clausule is bedoeld om de hoogte van de uitkering die op basis van het voorstel is berekend, te kunnen corrigeren indien het resultaat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van een ouder kan worden gevergd en is dus te vergelijken met de aanvaardbaarheidstoets in het voorstel van de expertgroep. Voorts wordt voorgesteld kinderalimentatie preferent te maken.

De initiatiefnemers willen de mogelijkheid tot wijziging ingrijpend beperken. Veelvuldig wijzigen van de kinderalimentatie zet de verhoudingen tussen beide ouders op scherp. De initiatiefnemers zijn van mening dat het krijgen van kinderen binnen een volgende relatie en een eventuele beëindiging van die relatie geen effect mag hebben op de kinderalimentatie waarop de ouder van de kinderen uit een vorige relatie aanspraak maakt. De Raad van State concludeert dat de voorgestelde regel niet in overeenstemming is met het in het BW vastgelegde uitgangspunt dat ouders naar draagkracht bijdragen in de kosten van de verzorging en de opvoeding van al hun kinderen. Dat klemt temeer daar het wetsvoorstel door deze regel een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen kinderen uit verschillende relaties. Het voorstel is derhalve ook in strijd met art. 8 EVRM jo art. 14 EVRM.

De stiefouderlijke onderhoudsplicht wordt afgeschaft en de onderhoudsplicht voor studerende kinderen wordt uitgebreid tot 23 jaar, de onderhoudsplicht voor niet-studerende kinderen wordt beperkt tot 18 jaar.

De verplichting van de stiefouder om bij te dragen in het onderhoud van de kinderen die tot zijn gezin behoren levert vaak een complexe berekening op. Daarnaast is er discussie of de beperking tot de gehuwde stiefouder niet in strijd is met art. 8 EVRM jo. art. 14 EVRM. Vanuit dat oogpunt is de beperking van de onderhoudsplicht tot de juridische ouder toe te juichen.

De laatste parlementaire ontwikkeling is dat op 18 oktober 2016 het verslag is vastgesteld.

4. Het wetsvoorstel herziening partneralimentatie

Reden voor indiening van het wetsvoorstel herziening partneralimentatie was volgens de indieners dat de huidige alimentatieregeling niet meer van deze tijd is. De indieners willen dat partneralimentatie eerlijker, simpeler en korter wordt. Een echtgenoot stopt al lang niet meer met werken bij het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap en de zorg voor kinderen wordt veel meer tussen echtgenoten verdeeld. Bij het einde van een huwelijk en een geregistreerd partnerschap moet gestreefd worden naar financiële zelfstandigheid van de ex-echtelieden, zodat er ook minder procedures over alimentatie hoeven te worden gevoerd. De Raad van State was uitermate kritisch over het initiatiefwetsvoorstel herziening partneralimentatie. De Raad van State merkte op dat de initiatiefnemers uitgaan van een situatie die ver verwijderd is van de huidige maatschappelijke realiteit. Uit onderzoek blijkt dat vrouwen op het moment van scheiding vaak een grote achterstand op de arbeidsmarkt hebben en dat ook na huwelijk de verdeling van zorgtaken in de meeste gevallen niet gelijk is. De initiatiefnemers gaan er in het initiatiefwetsvoorstel echter van uit dat de alimentatiegerechtigde binnen korte tijd na de echtscheiding weer volledig in eigen levensonderhoud kan voorzien. De situatie bij het aangaan van een huwelijk is een heel andere dan die bij de scheiding. Vanuit dien hoofde is het niet goed om het mogelijk te maken reeds bij huwelijkse voorwaarden afspraken te maken over partneralimentatie. De zwakkere partij wordt zo in het initiatiefwetsvoorstel niet beschermd.

De wijze van berekening voor partneralimentatie werd aanvankelijk in het initiatiefwetsvoorstel gebaseerd op het verschil tussen de ‘verdiencapaciteit’ van partners bij het sluiten van het huwelijk en op het moment van indienen van het echtscheidingsverzoek. Als de verdiencapaciteit bij echtscheiding lager is dan bij sluiting van het huwelijk, ontstaat een recht op partneralimentatie. De Raad van State merkte op dat dit er in een groot aantal gevallen toe zal leiden dat er geen recht op partneralimentatie bestaat. Dit kan leiden tot schrijnende situaties.

Ten aanzien van de beperking in duur is de Raad van State van oordeel dat het van belang is om rekening te houden met het feit dat nog steeds vooral vrouwen tijdens het huwelijk en na echtscheiding de zorg voor de kinderen hebben. Door (veel) minder te gaan werken na het krijgen van kinderen kunnen vrouwen vaak de reeds verworven positie op de arbeidsmarkt niet behouden en is het voor hen minder eenvoudig om die positie opnieuw te krijgen. De voorgestelde algemene beperking van de alimentatieduur houdt hiermee onvoldoende rekening. Ook mist de Raad van State een voorziening voor langdurige huwelijken, waarbij het nog langer dan 10 jaar zal duren voor de alimentatiegerechtigde recht heeft op AOW. De Raad van State merkte op dat de toelichting onvoldoende duidelijk maakt in hoeverre het initiatiefwetsvoorstel bijdraagt aan de oplossing van de gesignaleerde problemen. De initiatiefnemers motiveren niet waarom dit initiatiefwetsvoorstel zal leiden tot minder procedures over partneralimentatie. Het is ook zeer de vraag of ex-echtgenoten op basis van de nieuwe berekeningssystematiek in staat zullen zijn zelf te berekenen wat zij aan partneralimentatie moeten betalen. De limitering van de duur van partneralimentatie, in combinatie met de voorgestelde berekeningssystematiek, zal bovendien naar verwachting tot schrijnende situaties leiden. Dit wordt nog versterkt door de beperkte wijzigingsmogelijkheden, waardoor het voorgestelde systeem weinig ruimte laat voor maatwerk.

Om deze redenen adviseerde de Raad van State het initiatiefwetsvoorstel, in het bijzonder de voorgestelde berekeningssystematiek en de (wijze van) beperking in duur, te heroverwegen. Naar aanleiding van de kritiek van de Raad van State is op 14 maart 2017 – één dag voor de verkiezingen – de nota van wijziging10 ingediend, waarin de kritiek van de Raad op vele punten gevolgd is. In de Tweede nota van wijziging van 11 juni 2018 is het wetsvoorstel beperkt tot de voorgestelde limitering11. De kritiek van de Raad van State met betrekking tot de limitering is niet ter harte genomen. In de derde Nota van Wijziging van 1 oktober 2018 is de positie van de alimentatiegerechtigde van 50 jaar en ouder verbeterd en leidt het bereiken van de AOW-leeftijd voor de alimentatieplichtige niet meer automatisch tot het vervallen van de alimentatieverplichting12.

Het wetsvoorstel regelt dat de duur van de partneralimentatie de helft bedraagt van de duur van het huwelijk met een maximum van vijf jaar. Daarop zijn twee wettelijke uitzonderingen: langdurige huwelijken en huwelijken met jonge kinderen. Bij huwelijken langer dan vijftien jaar, waarbij de alimentatiegerechtigde geboren is op of voor 1 januari 1970 en diens leeftijd meer dan tien jaar lager is dan de AOW-leeftijd, is de duur maximaal tien jaar. Bij huwelijken met kinderen, die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt, is de duur maximaal twaalf jaar. Ook regelt het wetsvoorstel een hardheidsclausule voor schrijnende gevallen en voorziet het in overgangsrecht. Tot slot wordt bepaald dat de berekeningen van de behoefte en draagkracht, die aan de beschikking betreffende het verstrekken van levensonderhoud ten grondslag liggen, worden verstrekt aan de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden en krijgt het wetsvoorstel een evaluatiebepaling. Alle overige bepalingen uit de eerdere versies van het wetsvoorstel (zoals de nieuwe grondslag verlies aan huwelijksgerelateerde verdiencapaciteit, de rol van nieuwe partners, de berekeningssystematiek, het maken van afspraken in huwelijkse voorwaarden, de indexering en het vervallen van nietigheid van een beding tot uitsluiting van partneralimentatie) zijn geschrapt. Het wetsvoorstel is op 11 december 2018 door de Tweede Kamer aangenomen en de verwachting is dat het per 1 januari 2020 in werking treedt.

5. Recente ontwikkelingen in de jurisprudentie

De maatschappelijke opvattingen ten aanzien van de partneralimentatie zijn de afgelopen jaren, zoals uit voorgaande blijkt, gewijzigd. De gedachte dat er een recht is op 12 jaar alimentatie verliest steeds meer veld. Voorop staat dat een volwassene geacht wordt in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Alleen als hij daartoe niet in staat is, kan van de ex-partner een bijdrage worden gevraagd. De complexiteit wordt veroorzaakt door het uitgangspunt voor het bepalen van de behoefte aan de hand van de huwelijksgerelateerde welstand. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat de rechter bij het bepalen van de mede aan de welstand gerelateerde behoefte van de alimentatiegerechtigde rekening dient te houden met alle relevante omstandigheden, waaronder zowel de inkomsten als het uitgavenpatroon in de laatste jaren van het huwelijk.

In de feitenrechtspraak werd wel uitgegaan van het verbleken van behoefte13. Het uitgangspunt dat lotsverbondenheid door tijdsverloop na echtscheiding afneemt waardoor de behoefte verbleekt, lijkt met name door Hof Den Haag en Hof ‘s-Hertogenbosch te zijn gehanteerd14.

Verbleking van de behoefte kan voor de rechter aanleiding zijn om de alimentatie te verlagen dan wel de partneralimentatie (gefaseerd) op nihil te stellen, voordat de wettelijke twaalfjaars termijn ex art. 1:157 lid 4 BW verstrijkt.

In een recente uitspraak van de Hoge Raad (HR 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:313) stelde de alimentatieplichtige, de man, de hoogte van de behoefte van de vrouw ter discussie. In het echtscheidingsconvenant uit 2005 was een bijdrage van ruim € 3.500 bruto per maand afgesproken. De man stelde in de eerste plaats dat de behoefte van de vrouw in de loop der jaren is verbleekt en dat niet meer kan worden gerekend met de ten tijde van de echtscheiding vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte. De vrouw heeft een inkomen uit arbeid van € 1.500,- bruto per maand. De man betaalde sinds april 2013 geen onderhoudsbijdrage meer en de vrouw – zo stelde de man – lijkt van haar eigen inkomen te kunnen rondkomen. Het Hof Arnhem-Leeuwarden was van oordeel dat aan de zijde van de vrouw van een zogenoemde “verbleekte behoefte” geen sprake kan zijn. De enkele omstandigheid dat de vrouw noodgedwongen, doordat de man op enig moment is opgehouden met betaling van de door hem aan haar verschuldigde partneralimentatie, haar uitgavenpatroon zo heeft moeten inrichten dat zij met de door haar gegenereerde inkomsten en haar (inkomsten uit) vermogen in haar levensonderhoud kon voorzien, brengt niet mee dat haar huidige behoefte niet meer overeenkomt met de huwelijksgerelateerde behoefte.

De man stelde cassatie in en de Hoge Raad deed de zaak via 81 RO af. De conclusie van de A-G luidde tot verwerping van het cassatieberoep. In de conclusie wordt een overzicht gegeven van de jurisprudentie en de verschillende opvattingen van de hoven. De A-G is van mening dat het uitgangspunt dat de huwelijksgerelateerde behoefte (a priori) door enkel tijdsverloop afneemt, zich niet verdraagt met de vaste rechtspraak van de Hoge Raad, volgens welke bij de vaststelling van de behoefte rekening dient te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval. Enkel tijdsverloop na de beëindiging van het huwelijk is niet bepalend voor de vaststelling van de behoefte, maar tijdsverloop kan gelden als een relevante bijkomende omstandigheid.

Wortmann wijst erop dat nihilstelling wegens verblekende behoefte in feite limitering betekent, omdat de omstandigheid waarom het gaat – de door tijdsverloop verbleekte behoefte – niet meer voor wijziging vatbaar is. Dergelijke beschikkingen moeten dan ook aan hoge motiveringseisen voldoen15.

In de uitspraak van 4 mei 2018, ECLI:NL:HR: 2018:695 ging de Hoge Raad inhoudelijk in op het al dan niet afnemen van behoefte. Partijen waren ruim 22 jaar gehuwd geweest. In 2009 heeft de rechtbank de partneralimentatie vastgesteld op € 3614 bruto per maand. Tot 2012 heeft de vrouw een bijzondere relatie gehad met een derde die de vrouw heeft benoemd als enig erfgenaam. Deze derde is overleden en de vrouw heeft een erfenis ontvangen die zij heeft verzwegen voor de man. Het hof heeft voor recht verklaard dat de vrouw jegens de man geen aanspraak meer kan maken op een uitkering ter zake van levensonderhoud, aangezien de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken en heeft de vrouw veroordeeld om de teveel betaalde alimentatie terug te betalen. De omstandigheden die het hof aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd zijn dat (i) de vrouw de erfenis die zij heeft verkregen voor de man verborgen heeft gehouden; (ii) de vrouw het hof en de man niet actief heeft geïnformeerd over haar financiële positie en (iii) de vrouw zich onvoldoende heeft ingespannen om in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien.

De Hoge Raad vernietigt en oordeelt als volgt. Er moeten hoge motiveringseisen worden gesteld aan beslissingen, die het recht op een bijdrage voor levensonderhoud van de ene gewezen echtgenoot jegens de andere (praktisch) definitief doen eindigen voordat de periode van twaalf jaar is verstreken, hetzij – zoals in dit geval – doordat de rechter de alimentatieverplichting als zodanig beëindigt of limiteert, hetzij doordat de rechter het alimentatiebedrag op nihil stelt en zijn beslissing is gegrond op omstandigheden die naar hun aard niet meer voor wijziging vatbaar zijn. De beslissing van het hof voldoet niet aan die hoge motiveringseisen. De feiten en omstandigheden waarop het hof zijn beslissing heeft gegrond, zijn ontoereikend, ook in onderlinge samenhang bezien. Ten aanzien van al deze omstandigheden geldt dat zij een rol kunnen spelen bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw, maar niet valt in te zien waarom zij zouden moeten leiden tot het definitief beëindigen van de alimentatieplicht. De Hoge Raad merkt op dat de rechter, buiten het in de wet geregelde geval van art. 1:160 BW, een lopende alimentatieverplichting slechts kan beëindigen wegens andere omstandigheden dan ontbrekende draagkracht of behoefte, op de grond dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de gewezen echtgenoot nog langer een bijdrage in het levensonderhoud te verlangen. Indien het hof heeft bedoeld dat de alimentatieverplichting is geëindigd omdat de door het hof genoemde omstandigheden dienen te worden aangemerkt als omstandigheden waardoor de lotsverbondenheid tussen de gewezen echtelieden is verbroken of vervallen, mede omdat deze door tijdsverloop al was afgenomen, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Weliswaar kan de door het huwelijk in het leven geroepen lotsverbondenheid als een grondslag voor het ontstaan van de alimentatieverplichting worden beschouwd, maar het voortduren van die verplichting berust niet op het voortduren van de lotsverbondenheid. Daarom kan het ‘afnemen’ of ‘vervallen’ van lotsverbondenheid geen grond zijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting, ook niet in samenhang met andere omstandigheden.

6. Conclusie

De pijlers van het alimentatierecht behoefte en draagkracht zijn in de wet open normen en worden in de praktijk al jarenlang ingevuld door het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen. Bij het vaststellen van kinderalimentatie wordt anders dan bij de vaststelling van partneralimentatie gewerkt met forfaitaire bedragen met betrekking tot zowel behoefte als draagkracht.

De behoefte van minderjarige kinderen wordt vastgesteld aan de hand van de Nibudtabellen die momenteel herzien worden. Over de behoefte van meerderjarige kinderen is meer onzekerheid. Studeert het kind dan wordt aangesloten bij de WSF norm16. Voor een niet studerend meerderjarig kind gelden weer andere normen. Zo toetste het hof Amsterdam recent aan het Nibud studentenonderzoek 201517. Ten aanzien van de kinderalimentatie geldt sinds 2013 een vereenvoudigde berekening van de draagkracht van de alimentatieplichtige met forfaitaire bedragen en tabellen. Met name de forfaitaire woonlastennorm van 30% van het netto besteedbaar inkomen leidt in de jurisprudentie tot de nodige discussie. Als de werkelijke lasten lager zijn dan wil men daar nog wel eens van afwijken18. Daarbij speelt een belangrijke rol dat bij de vaststelling van partneralimentatie wel gerekend wordt met de werkelijke woonlasten, wat er soms toe kan leiden dat er wel ruimte is voor partneralimentatie en niet voor kinderalimentatie. Het blijft opmerkelijk dat de Expertgroep Alimentatienormen niet ook voor de vaststelling van partneralimentatie voorstelt te rekenen met forfaitaire bedragen.

Het wetsvoorstel kinderalimentatie voegt ten aanzien van de berekening van kinderalimentatie weinig meerwaarde toe. De huidige vereenvoudigde berekening van kinderalimentatie volstaat. Uitgangspunt nu is dat de draagkracht van de ouder wordt verdeeld over zijn kinderen naar rato van behoefte. Nieuwe kinderen kunnen de draagkracht beïnvloeden en kunnen ook leiden tot complexe berekeningen. Door het voorstel om eenmaal vastgestelde kinderalimentatie niet meer te laten wijzigen wordt echter een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen kinderen uit verschillende relaties en dit laatste is in strijd met art. 8 EVRM jo. art. 14 EVRM.

De vaststelling van behoefte en draagkracht bij partneralimentatie blijft maatwerk. De behoefte wordt niet aan de hand van tabellen bepaald. Wie stelt dat hij behoefte heeft, zal dat moeten onderbouwen. De door de hoven ontwikkelde zogenaamde “hofnorm” inhoudende dat voor de vaststelling van de behoefte uitgangspunt is 60% van het netto gezinsinkomen minus de kosten van de kinderen is door de Hoge Raad in zijn uitspraak van 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7050, NJ 2010/473 onvoldoende geacht bij betwisting. In het oorspronkelijke initiatiefwetsvoorstel partneralimentatie was deze “hofnorm” wel opgenomen. In HR 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:312 concludeerde de A-G dat door terug te vallen op de ‘hofnorm’, slechts daar waar bepaling van de werkelijke behoefte van de vrouw op grond van het partijdebat niet mogelijk bleek, het hof niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De “hofnorm” wordt hier niet als enige maatstaf gebruikt, nu het hof eerst heeft geprobeerd de behoefte aan de hand van concrete gegevens en omstandigheden van het geval te berekenen. Eerst toen gebleken was dat dit niet lukte, is het hof teruggevallen op de ‘hofnorm’. Bovendien heeft de Hoge Raad in de beschikking van 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1336, NJ 2014/298 overwogen dat de behoefte ‘zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens moet worden bepaald. Zo beschouwd, heeft het hof de behoeftebepaling voldoende inzichtelijk gemaakt. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep op grond van art. 81 RO. Misschien ligt hier een opening om toch meer gebruik te maken van de “hofnorm”.

Gelet op de hiervoor genoemde recente beschikkingen van de Hoge Raad is verbleking van de behoefte door louter tijdsverloop geen optie om de alimentatie (gefaseerd) te beëindigen/op nihil te stellen. In de jurisprudentie werd de verbleking van de behoefte meestal gekoppeld aan de hogere eisen die na echtscheiding aan de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde worden gesteld. In bijna alle gevallen waarin verbleken van de behoefte ter beoordeling voorlag, is deze beoordeling hand in hand gegaan met een beoordeling van de behoeftigheid van de onderhoudsgerechtigde en diens verdiencapaciteit. Het op termijn op nihil stellen of verlagen van alimentatie in de verwachting dat een alimentatiegerechtigde (deels) in eigen levensonderhoud kan voorzien, is nog steeds een optie. Dit wordt ingegeven door het feit dat een alimentatiegerechtigde de tijd moet krijgen om zijn/haar verdiencapaciteit te vergroten en heeft niets te maken met het verbleken van behoefte. Ook is het terecht om de alimentatiegerechtigde in een procedure te vragen naar zijn/haar inspanningen om in eigen levensonderhoud te voorzien en daaraan een verwachting te koppelen. Indien de verwachting niet wordt waargemaakt, kan door de alimentatiegerechtigde een wijzigingsverzoek worden ingediend. Hier is dus geen sprake van omstandigheden die naar hun aard niet meer voor wijziging vatbaar zijn.

Eerder heb ik gesteld dat een wijziging van het alimentatie stelsel niet nodig is, omdat ook nu al via de nihilstelling op termijn en de in de jurisprudentie gehanteerde verbleking van behoefte maatwerk geleverd kan worden19. Dat blijkt nu door de recente uitspraken van de Hoge Raad anders te liggen. De nihilstelling op termijn zal in die gevallen waarin de huwelijksgerelateerde welstand erg hoog is en de verdiencapaciteit vrijwel nihil geen uitkomst bieden. In die gevallen zal er dus naar huidig recht waarschijnlijk wel 12 jaar lang alimentatie moeten worden betaald. Het gaat hier echter om een klein percentage van het aantal partneralimentatieverzoeken. Dan blijft toch de vraag of de voorgestelde duur van 5 jaar niet te kort is.

.

1) Kamerstukken II 1990-1991, 21980, nr. 2, pg. 30.

2) Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek alsmede van enige andere wetten in verband met de vaststelling van kinderalimentaties (Wet herziening kinderalimentatiestelsel); Kamerstukken II 2003/04, 29480, nrs 1 en 2.

3) Initiatiefwetsvoorstel 34154 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en van enige andere wetten in verband met de herziening van het stelsel van kinderalimentatie.

4) Wet van 28 april 1994, Stb. 324.

5) Kamerstukken 2012/2013 33312.

6) Kamerstukken 2012/2013 33311.

7) Kamerstukken 2015/2016 34231 en Kamerstukken II 2015/16, 34154,5.

8) Kamerstukken II 2017/18, 34231, 10.

9) Kamerstukken II 2016/2017, 34154, nr. 6.

10) Kamerstukken II 2016/17, 34231,7.

11) Kamerstukken II 2017/18, 34231, 10.

12) Kamerstukken II 2018-2019, 34 231, 13.

13) M. van Yperen-Groenleer, Het effect van tijdsverloop op behoefte en behoeftigheid, EB 2014/34.

14) Hof ‘s-Hertogenbosch 19 september 2012, ECLI:NL: GHSHE:2012:BX7969 en Hof Den Haag heeft op 30 september 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2744 .

15) Groene Serie Personen- en familierecht, art. 1:401 BW, aant. 10 en art. 1:157 BW, aant. 8b.

16) Zie over de invloed van het gewijzigde studiefinancieringsstelsel: Hof ‘s-Hertogenbosch 12 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5519.

17) Hof Amsterdam 23 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017: 1935.

18) Zie Hof Den Haag 29 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016: 2310.

19) M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, Recente ontwikkelingen alimentatie, EB 2017/61.