Behoefteberekening jongmeerderige

De wet verplicht in art. 1:392 BW onder andere ouders in het levensonderhoud van hun kinderen te voorzien. Art. 1:395a BW verplicht daarnaast ouders te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van 21 jaar niet hebben bereikt, de zogenaamde jongmeerderjarigen. Bij zowel minderjarige kinderen als bij de jongmeerderjarigen bestaat deze verplichting ongeacht behoeftigheid. Of deze kinderen in hun eigen levensonderhoud zouden kunnen voorzien, is niet van belang. Voor de kinderen ouder dan 21 jaar geldt alleen een onderhoudsverplichting, voor zover deze kinderen behoeftig zijn.

De behoefte van kinderen jonger dan 18 jaar wordt vastgesteld aan de hand van de zogenaamde NIBUD tabellen. Deze tabellen gaan uit van het netto gezinsinkomen, het aantal kinderen in een gezin en de leeftijd van de kinderen. Bij meerderjarige kinderen kan geen gebruik worden gemaakt van de tabellen, omdat daar de kinderbijslag in is verwerkt die voor een jongmeerderjarige niet meer bestaat en de ziektekostenverzekering niet meer kosteloos is. De behoefte moet dus op een andere wijze worden vastgesteld.

Voor de vaststelling van de behoefte van jongmeerderjarigen, meestal studerenden die onder de reikwijdte van de Wet Studiefinanciering (hierna: WSF) vallen, zijn geen maatstaven ontwikkeld. Voor de behoeftebepaling van studerende kinderen kan in het algemeen bij de WSF-norm (normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, vermeerderd met het verschuldigde lesgeld of collegegeld) aansluiting gezocht worden, waarbij de student kan aantonen dat voor een bepaalde post een hoger budget nodig is. Verder kan rekening worden gehouden met de aanspraken die een student heeft op studiefinanciering. De WSF kan de student onder voorwaarden aanspraak geven op een basisbeurs, een basislening, een aanvullende beurs of aanvullende lening en een collegegeldkrediet. Afhankelijk van het niveau van de opleiding zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs een gift, of kunnen zij dat worden indien binnen de diplomatermijn van 10 jaren een diploma wordt gehaald (prestatiebeurs). Zowel voor de gift als de prestatiebeurs geldt dat deze als behoefte verlagend wordt aangemerkt. Van een student mag in redelijkheid worden verlangd dat binnen de genoemde termijn een diploma wordt gehaald. De basislening, de aanvullende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald, zodat deze niet worden aangemerkt als behoefte verlagend.

Voor niet-studerende jongmeerderjarigen kan voor de berekening van de behoefte eveneens aansluiting gezocht worden bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de WSF-norm, onder aftrek van de daarin begrepen studiekosten (boeken en leermiddelen).

Bij hoger onderwijs maakt de WSF-norm geen verschil tussen thuis- en uitwonende studenten. Ervan uitgaande dat een thuiswonende student in het hoger onderwijs bespaart op zijn woonlast, kan zijn behoefte worden verlaagd, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Structurele eigen inkomsten van de jongmeerderjarige kunnen wel als behoefte verlagend worden aangemerkt. Een Wajong uitkering vermindert in principe ook de behoefte, want van de jongmeerderjarige wordt verwacht dat hij alle kosten daaruit voldoet, zodat hij geen behoefte meer heeft aan een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud.

Kinderen vanaf 21 jaar moeten in principe in hun eigen levensonderhoud voorzien. Het volgen van een intensieve studie zelfs als die met toestemming van beide ouders is gestart, is in beginsel geen reden voor een bijdrage na het bereiken van de 21-jarige leeftijd, hoe zuur ook. In echtscheidingsconvenanten kunnen afspraken worden gemaakt over een bijdrage voor een studerend meerderjarig kind. Deze afspraken dienen helder en niet voor misverstand vatbaar te bepalen onder welke omstandigheden een meerderjarig studerend kind recht heeft op een bijdrage van zijn ouders.

Zorgtoeslag niet langer in mindering op de behoefte van een jongmeerderjarigen In de normbedragen als genoemd in artikel 3.18 van de Wet Studiefinanciering 2000 (WSF 2000) wordt geen uitsplitsing meer gemaakt voor de ziektekosten, waar dit tot en met 2005 wel het geval was. In 2005 bedroegen die ziektekosten € 37,49. Met de invoering van de Zorgverzekeringswet en de Wet op de Zorgtoeslag in 2006 is de uitsplitsing gestopt en zijn de ziektekosten onderdeel geworden van het algemene normbedrag. Het algemene normbedrag is daardoor in 2006 met circa € 40,- verhoogd. Daarbij is toegelicht dat de invoering van het nieuwe zorgstelsel weliswaar leidt tot een hogere ziektekostenpremie voor studenten, maar dat dit grotendeels wordt gecompenseerd door de gelijktijdige invoering van de zorgtoeslag (MvT Invoerings- en aanpassingswet, Kamerstuk 2005, 30124, nr. 3). Gelet op de beperkte omvang van de verhoging (€ 40,- per maand) en de toelichting daarbij moet de conclusie zijn dat in het normbedrag alleen met de netto ziektekosten rekening is gehouden, oftewel de ziektekosten na aftrek van de zorgtoeslag. Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt de jongmeerderjarige dus geacht ook diens premie voor de ziektekostenverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeft dus niet nog afzonderlijk in mindering te worden gebracht.

De nieuwe Wet Studiefinanciering 2000
Met ingang van 1 september 2015 is het studiefinancieringsstelsel gewijzigd. De belangrijkste verandering is dat de basisbeurs voor studenten in het hoger onderwijs is komen te vervallen en daarvoor in de plaats een verhoging van het maximale leenbedrag is gekomen. Daarnaast is het onderscheid tussen uit- en thuiswonende studenten komen te vervallen en is het normbedrag (artikel 3.18 WSF 2000) voor beide categorieën gelijk gesteld. Op alle leningen die studenten in het hoger onderwijs aangaan rust nu een terugbetalingsverplichting, met uitzondering van een aanvullende beurs waar studenten voor in aanmerking komen met minder draagkrachtige ouders. De aanvullende beurs wordt in eerste instantie verstrekt in de vorm van een lening, maar wordt echter omgezet in een gift als de studie binnen 10 jaar wordt afgerond (de eerste 5 maanden altijd in de vorm van een gift). Ook kan een student aanspraak maken op een collegegeldkrediet, waarop ook een terugbetalingsverplichting rust. Studenten mogen in het nieuwe stelsel zoveel bijverdienen als zij willen zonder dat dit van invloed is op de hoogte van de leningen of aanvullende beurs die zij zouden kunnen krijgen. Voor studenten in het beroepsonderwijs zijn de oude richtlijnen blijven gelden. Het oude stelsel met daarbij de basisbeurs is wél blijven bestaan voor studenten die een opleiding in het beroepsonderwijs (MBO) volgen. De basisbeurs voor MBO studenten wordt omgezet in een gift als de studie binnen 10 jaar wordt afgerond. Voor MBO studenten wordt voor de hoogte van de basisbeurs daarom wel nog onderscheid gemaakt tussen thuis- of uitwonende studenten.