Het procesrecht in zaken betreffende minderjarigen

Inleiding

Bij wet van 7 juli 1994, die in werking trad op 1 april 1995, werd het familieprocesrecht grondig gewijzigd en sterk ge├╝niformeerd. De tot dan bestaande regeling besloeg ongeveer 160 artikelen en werd teruggebracht tot ongeveer 17 artikelen. Op 1 januari 2002 werd een belangrijke herziening van procederen in eerste aanleg van kracht. Als gevolg daarvan zijn onder andere ook de algemene regels voor de verzoekschriftprocedures vrij ingrijpend gewijzigd. Deze regels zijn thans te vinden in de artikelen 261 t/m 291 Rv voor de eerste aanleg, 358 t/m 362 Rv voor het hoger beroep en 426 t/m 429 Rv voor cassatie. Verder vond op 1 mei 2007 een belangrijke verandering plaats in de bevoegdheid van de rechtbank en de kantonrechter. De rechtbank is nu bevoegd in alle zaken die betrekking hebben op (geschillen over) de persoon van en het gezag over de minderjarige en op de regeling van omgang en informatie. Dit betekent bijvoorbeeld dat de rechtbank bevoegd is ter zake van de voorziening in en het ontslag van de voogdij, zaken die voorheen het terrein van de kantonrechter waren. De bevoegdheid van de kantonrechter is beperkt tot de vermogensrechtelijke aspecten van de gezagsuitoefening, terwijl hij daarnaast bevoegd is in zaken van bewind, mentorschap en curatele. Op 1 januari 2012 volgde een belangrijke herziening van de gerechtelijke kaart in Nederland en werd het aantal rechtbanken van 19 naar 11 teruggebracht. Het aantal gerechtshoven werd daarbij verminderd van 5 naar 4. Het einde lijkt overigens nog niet in zicht, want medio 2015 lanceerde de Raad voor de rechtspraak het plan om tot meer concentratie van de rechtspraak in eerste aanleg over te gaan. De achtergrond hiervan lijkt vooral bezuinigingsnoodzaak te zijn. In november 2015 deelde de Raad voor de rechtspraak overigens weer mee dat deze bezuinigingsoperatie (voorlopig?) niet doorgaat.

Het familieprocesrecht

Alle familierechtelijke procedures zijn verzoekschriftprocedures. Dit betekent dat daarvoor in de eerste plaats de algemene regels voor verzoekschriftprocedures gelden. Daarnaast gelden de bijzondere regels die te vinden zijn in de zesde titel van Boek 3 Rv betreffende rechtspleging in zaken betreffende personen- en familierecht (artt. 798-828 Rv). De eerste afdeling van deze titel betreft de rechtspleging in andere dan echtscheidingszaken (art. 798- 813 Rv) en bevat onder meer bijzondere regels voor zaken betreffende minderjarigen (art. 808-813 Rv). De tweede afdeling bevat nadere regels voor echtscheidingszaken (artt. 815-828 Rv). Hierna wordt de inhoud van het familieprocesrecht op hoofdlijnen beschreven. Overigens is op 17 april 2014 het conceptwetsvoorstel Hoger beroep en cassatie in civiele zaken digitaal in consultatie gegeven. Hiermee wordt beoogd het burgerlijk procesrecht in hoger beroep en deels in cassatie te vereenvoudigen en door de invoering van termijnen voor partijen en de rechter de procesgang overzichtelijker en voorspelbaarder te maken. Door de nadruk te leggen op vroegtijdig contact met en sturing door de rechter, beoogt de minister te bereiken dat de procedure sneller gaat verlopen en ook minder kostbaar is.

Echtscheiding IPR

De inhoud op hoofdlijnen

In de eerste plaats zij erop gewezen dat het antwoord op de vraag of de kantonrechter, de kinderrechter of de rechtbank bevoegd is van een verzoek kennis te nemen nog steeds te vinden is in Boek 1 BW bij de afzonderlijke procedures. Zoals hiervoor opgemerkt is op 1 mei 2007 een belangrijke verandering aangebracht in de verdeling van de bevoegdheid tussen de rechtbank en de kantonrechter. De eerste vraag is wie in concreto bevoegd is een verzoek in te dienen. Voor zover de wet dit niet uitdrukkelijk regelt, mag worden aangenomen dat elke belanghebbende in de zin van artikel 798 Rv bevoegd is een verzoek in te dienen, dat wil zeggen eenieder wiens rechten en verplichtingen rechtstreeks in het geding zijn

Bevoegdheid rechter

Het antwoord op de vraag welke kantonrechter, kinderrechter of rechtbank bevoegd is (relatieve competentie), is te vinden in de artikelen 362 t/m 369 Rv. Ook de andere voorschriften van titel 12, Boek 1 Rv (artt. 261 e.v.) zijn van belang voor de procedure in eerste aanleg. In het bijzonder zij gewezen op:

 

  • art. 271 Rv: de oproeping van verzoekers en verschenen belanghebbenden (zie art. 798 Rv) geschiedt per gewone brief, tenzij de rechter anders bepaalt. Verschenen belanghebbende is degene die zich als zodanig bekend heeft gemaakt, met name door het indienen van een verweerschrift. De overige belanghebbenden (bijvoorbeeld degenen die als zodanig in het rekest worden vermeld) worden in beginsel per aangetekende brief opgeroepen, maar de rechter kan ook anders bepalen (art. 272Rv). Zie voor regels met betrekking tot onder meer verzoekers of belanghebbenden die geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland hebben* alsook met betrekking tot de hernieuwde oproeping de artikelen 273 t/m 277 Rv;
  • art. 278 Rv bepaalt wat het verzoekschrift ten minste moet bevatten; zie verder art. 799 Rv (zie daartoe ook het relevante procesreglement dat te vinden is op de site van de rechtspraak: www.rechtspraak.nl, onder landelijke regelingen);
  • art. 279 Rv geeft regels voor onder andere de dagbepaling, het opmaken van een proces-verbaal van het verhandelde ter zitting en de mogelijkheid van aanhouding;
  • art. 281 Rv maakt het mogelijk ingeval het verzoekschrift ten onrechte niet door een advocaat is ingediend dit verzuim te herstellen;
  • art. 282 Rv bepaalt dat iedere belanghebbende tot de aanvang c.q. met toestemming van de rechter in de loop van de behandeling ter zitting een verweerschrift kan indienen; een verweerschrift kan een zelfstandig verzoek bevatten, mits dit betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijk verzoek;
  • art. 284 Rv bepaalt dat de regels van het bewijsrecht (afd. 9 titel 2 Boek 1 Rv) van overeenkomstige toepassing zijn, tenzij de aard van de zaak zich daartegen verzet; het geeft voorts regels voor het verschoningsrecht in familierechtelijke procedures;
  • art. 287 Rv geeft regels voor de inhoud van een beschikking, die uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard (art. 288);
  • art. 290 Rv bepaalt dat de verzoeker en iedere belanghebbende recht hebben op inzage en afschrift van het verzoekschrift, het verweerschrift, de overige bescheiden betreffende de zaak en de processen-verbaal. Afschriften van de processen-verbaal en de beschikkingen worden door de griffier verstrekt aan de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden.
Wilt u meer weten over de kennisbank Personen- en familierecht? Vraag dan vrijblijvend online een demonstratie of een proefabonnement aan op de kennisbank of neem contact op via (070) 378 98 80