Nederlands Internationaal Huwelijksvermogensrecht

Het Nederlands internationaal huwelijksvermogensrecht geeft voor de Nederlandse autoriteiten en rechtsbeoefenaars de regels aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welk recht – het Nederlandse of buitenlandse materieel recht – het huwelijksvermogen van een echtpaar beheerst.

Gemeenschappelijke nationaliteit

Het traditionele uitgangspunt van het Nederlandse internationaal huwelijksvermogensrecht is dat wordt aangeknoopt aan de nationaliteit. Dit betekende vroeger dat er werd aangeknoopt aan het nationale recht van de man. Dit is bijvoorbeeld het geval volgens de regels van het Haags Huwelijksgevolgenverdrag 1905 en volgens het inmiddels niet meer van toepassing zijnde Clemens/Klein-arrest, HR 17 mei 1929, NJ 1929, p. 1278, EMM.
In dat traditionele uitgangspunt is later, onder het Chelouche/Van Leer-arrest (HR 10 december 1976, NJ 1977, 275), geen wijziging opgetreden. Het voornaamste aanknopingspunt onder dat arrest is de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtelieden ten tijde van de huwelijkssluiting.
Door de invoering op 1 september 1992 in Nederland van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 is de traditie van het nationaliteitsbeginsel enigszins maar niet helemaal verlaten.
Indien de echtelieden geen rechtskeuze hebben uitgebracht, is de eerste aanknoping volgens dit verdrag een aanknoping aan de eerste gewone verblijfplaats van de echtgenoten. Pas onder bepaalde omstandigheden mag er worden aangeknoopt aan het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen.
Hierbij moet overigens benadrukt worden dat Nederland door het afleggen van de verklaring op grond van artikel 5 van het Verdrag van 1978 heeft aangegeven, dat het in het kader van dit verdrag als een nationaliteitsland dient te worden beschouwd en derhalve in beginsel, behoudens een enkele uitzondering, in ieder geval ten aanzien van eigen onderdanen aanknoopt aan de gemeenschappelijke nationaliteit van de partijen.

Huwelijksvermogensrecht

Verordening Internationaal Huwelijksvermogensrecht

De Europese Unie is bezig met het ontwerpen van een Verordening op het gebied van het internationale huwelijksvermogensrecht. Er is enige jaren geleden een Groenboek gepresenteerd. Van verdere initiatieven is publiekelijk nog geen blijk gegeven. Het is tot op heden dan ook geheel onduidelijk wanneer een Verordening op dit gebied in werking zal treden en hoe die verordening zal luiden.
Per 1 januari 2012 is Boek 10 BW in werking getreden dat handelt over het internationaal privaatrecht. Met de invoering van Boek 10 BW zijn de aparte IPR-wetten, onder meer op het gebied van internationaal huwelijksvermogensrecht en geregistreerd partnerschap (in het bijzonder de Wet conflictenrecht huwelijksvermogensregime, de Wet conflictenrecht huwelijkse betrekkingen en de Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap) buiten werking getreden.
Boek 10 BW behelst bepalingen op onder meer het gebied van het internationale huwelijksvermogensrecht (de artikelen 42 tot en met 53 Boek 10 BW). Deze regeling uit Boek 10 BW laat lacunes zien in die zin dat op het gebied van het internationale huwelijksvermogensrecht slechts verwezen wordt naar de regeling van het Haags Huwelijksvermogensrecht 1978, alsof de andere twee regelingen die binnen het Nederlandse internationale huwelijksvermogensrecht die nog steeds gelding hebben (de regeling van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1905 en de regels van het Chelouche/Van Leer-arrest) niet bestaan. Deze twee oude regelingen, het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1905 en de regels van het Chelouche/Van Leer-arrest, blijven ook na invoering van Boek 10 BW in de mate waarin zij gelding hadden, die gelding behouden.

Overgangswet nieuw BW

Boek 10 geeft niet de volledige stand van zaken van het Nederlandse internationale huwelijksvermogensrecht weer. Een waarschuwing is derhalve op zijn plaats. Wie zonder enige kennis van zaken van het IPR afgaat op Boek 10 BW zal op een dwaalspoor kunnen worden gebracht, omdat er veel in Nederland geldende IPR-regels in Verordeningen en Verdragen zijn opgenomen die voorrang hebben op Boek 10 BW. Bovendien kent Boek 10 BW bepalingen van overgangsrecht die maken dat Boek 10 BW niet altijd de oplossing kan geven. Boek 10 BW geeft voorts geen regeling voor het Nederlandse interregionale recht, de rechtsregels die aangeven welk recht binnen de verschillende landen van het Koninkrijk moet worden toegepast.
Het overgangsrecht van Boek 10 BW staat niet opgenomen in Boek 10 BW maar in de Overgangswet Nieuw BW behoudens regels van overgangsrecht die reeds bestonden en verband hielden met de vroegere afzonderlijke conflictrechtelijke wetten en die na invoering van Boek 10 BW van belang zijn gebleven. Voor het internationaal huwelijksvermogensrecht kan ik wijzen op artikel 52 Boek 10 BW waaruit blijkt dat afdeling 3 (dat de regels van het internationaal huwelijksvermogensrecht behelst) alleen van toepassing zijn op het huwelijksvermogensregime van echtgenoten die na 1 september 1992 met elkaar in het huwelijk zijn getreden, behoudens de regels met betrekking tot de rechtskeuze staande huwelijk. Deze regels zijn ook van toepassing op echtgenoten die voor 1 september 1992 met elkaar in het huwelijk zijn getreden en die na dat tijdstip een rechtskeuze wensen uit te brengen.
In artikel 53 Boek 10 BW staat ook een regel van overgangsrecht ten aanzien van rechtskeuzes die voor 1 september zijn uitgebracht.
Nogmaals: daarnaast blijkt noch uit Boek 10 BW noch uit de Overgangswet Nieuw BW dat de andere – oude – IPR-systemen binnen het Nederlandse IPR op het gebied van het huwelijksvermogensrecht nog onverkort hun toepassing behouden.

Renvoi

Een belangrijk kenmerk van het Nederlandse internationale huwelijksvermogensrecht is dat het geen renvoi hanteert. Dat wil zeggen dat wanneer het Nederlandse internationale huwelijksvermogensrecht het recht van een bepaald land aanwijst, hiermede uitsluitend het materiële recht van dat land wordt aangewezen en niet ook het IPR van het aangewezen recht. Dit geldt voor alle IPR-systemen die het Nederlandse IPR in het kader van het huwelijksvermogensrecht hanteert. Zie voor de regeling van Boek 10 BW artikel 5 Boek 10 BW dat als volgt luidt:

 

Artikel 5

Onder toepassing van het recht van staat wordt verstaan de toepassing van de rechtsregels die in die staat gelden met uitzondering van het internationaal privaatrecht.
Voor het Verdrag van 1978 kan dit in het bijzonder nog eens worden opgemaakt uit artikel 3, eerste lid, artikel 4, eerste, tweede en derde lid, en uit artikel 6, eerste lid, van dat verdrag. Steeds wordt daar aangegeven dat van toepassing is het interne recht, dat wil zeggen dat er geen rekening wordt gehouden met het IPR van het aangewezen recht.

Wilt u meer weten over de kennisbank Personen- en familierecht? Vraag dan vrijblijvend online een demonstratie of een proefabonnement aan op de kennisbank of neem contact op via (070) 378 98 80