Jeugdhulp

Toegang tot Jeugdhulp

Gemeenten zijn wettelijk verantwoordelijk voor een herkenbare en laagdrempelige organisatie van jeugdhulp voor jeugdigen, ouders en professionals (art. 2.6 lid 1 Jeugdwet). Het Centrum voor Jeugd en Gezin is een mogelijke organisatievorm om inhoud te geven aan deze verplichting, maar de gemeente kan er ook voor kiezen om de toeleiding naar jeugdhulp op een andere manier vorm te geven, zoals met de inzet van wijkteams. De gemeenten moeten zorgen voor een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod, een herkenbare en laagdrempelige toegang, tijdige inzet van passende hulp, beschikbaarheid van de juiste expertise, een consultatiefunctie voor professionals die werken met jeugdigen, mogelijkheden om direct in te grijpen in crisissituaties en de mogelijkheid van kosteloos en anoniem advies aan jeugdigen met vragen over opgroeien en opvoeden. Ook moeten zij voorzien in maatregelen om kindermishandeling te bestrijden en een vertrouwenspersoon bieden aan jeugdigen, ouders en pleegouders. De gemeenten moeten jeugdhulp inkopen bij jeugdhulpaanbieders. Deze rechts- of natuurlijke personen zijn degenen die daadwerkelijk jeugdhulp leveren. De professional die feitelijk de jeugdhulp uitvoert, is de ‘jeugdhulpverlener’ (art. 1.1 Jeugdwet).

Afbeelding jeugdhulp

Samenwerking tussen gemeenten

Gemeenten moeten met elkaar samenwerken ‘indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering’ van de Jeugdwet aangewezen is (art. 2.8 Jeugdwet). Het gaat dan bijvoorbeeld om de taken op het terrein van de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering, gesloten jeugdhulp, vormen van gespecialiseerde jeugdhulp, de inrichting van een AMHK en De Kindertelefoon. De noodzaak tot samenwerking vloeit volgens de wetgever enerzijds voort uit het feit dat alleen zo gewaarborgd kan worden dat overal en altijd capaciteit voorhanden is om onder meer kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering en gesloten jeugdhulp te kunnen uitvoeren, en anderzijds omdat het vanuit het oogpunt van de uitvoering gewenst is dat op een aantal taken wordt samengewerkt. De verplichting tot samenwerking voor het voorzien in een toereikend aanbod van gecertificeerde instellingen en voor het instellen en in stand houden van het AMHK die oorspronkelijk in het conceptwetsvoorstel was opgenomen, is – mede op verzoek van de gemeenten – geschrapt, maar wel is de mogelijkheid opengehouden om bij AMvB bepaalde gebieden aan te wijzen waarbinnen samenwerking tussen gemeenten wordt voorgeschreven. Alleen als gemeenten het nalaten om samen te werken terwijl dit wel noodzakelijk is, dan zullen zij bij AMvB alsnog verplicht worden om samen te werken. In beginsel blijven gemeenten zelf verantwoordelijk voor het organiseren van samenwerking.

Samenwerkend Toezicht Jeugd (STJ)

In 2014 zijn de inspecties van het Samenwerkend Toezicht Jeugd (STJ) een meerjarig toezichtproject gestart naar de toegang tot zorg en ondersteuning. In april 2015 blijkt uit hun onderzoek naar de toegang tot jeugdhulp vanuit de wijkteams dat jeugdigen, ouders en burgers dikwijls onbekend zijn met het bestaan van deze teams en de organisatie van zorg en ondersteuning in hun gemeente en dat veel jongeren de drempel om hulp te zoeken en een hulpvraag te formuleren als hoog ervaren. Veiligheidsrisico’s worden door veel wijkteams nog niet goed ingeschat en het ingrijpen in onveilige situaties blijkt nog onvoldoende ontwikkeld. Zo is de aansluiting tussen de wijkteams en de medewerkers die mogelijkheden hebben voor drang en dwang vaak nog niet georganiseerd. In 2015 zal het STJ aandacht besteden aan de toegang tot zorg en ondersteuning met betrekking tot het signaleren van onveiligheid.

Ten slotte: als een te adopteren kind bij gehuwde adoptanten was geplaatst en voordat het adoptieverzoek werd ingediend een echtscheiding wordt uitgesproken, kan een van de ex-echtgenoten, namelijk degene die voor het kind blijft zorgen, een adoptieverzoek indienen. Dit verzoek zal worden toegewezen als aan de voorwaarden van artikelen 1:227 en 228 BW is voldaan. Wij gaan ervan uit dat aan het vereiste van de verzorgingstermijn van drie jaar (artikel 1:228, lid onder f BW) is voldaan als deze verzoeker het kind feitelijk gedurende drie jaar heeft verzorgd en opgevoed, dat is met inbegrip van de periode dat hij/zij nog was gehuwd.

Wilt u meer weten over de kennisbank Personen- en familierecht? Vraag dan vrijblijvend online een demonstratie of een proefabonnement aan op de kennisbank of neem contact op via 070-378 98 80.