Fiscale gevolgen echtscheiding

Einde partnerschap

 

Op grond van artikel 5a, lid 4, AWR wordt een persoon niet meer als partner aangemerkt indien:

 

  • Een verzoek tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed is ingediend, en
  • De persoon niet meer op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of een soortgelijke buitenlandse administratie staat ingeschreven als belastingplichtige.

 

In de fiscale rechtspraktijk wordt het partnerschap geacht te zijn verbroken indien aan de bovenstaande voorwaarden is voldaan. De wetgever heeft besloten dat het niet noodzakelijk is dat ontbinding van het huwelijk of een scheiding van tafel en bed heeft plaatsgevonden.

Duurzaam gescheiden leven

Het huwelijk eindigt niet als partners duurzaam gescheiden leven. Ook het fiscaal partnerschap eindigt niet, indien sprake is van duurzaam gescheiden leven. Tot 2011 was dat nog wel het geval. Duurzaam gescheiden leven houdt in dat echtgenoten hun samenleving hebben verbroken en ten minste bij één van de echtgenoten niet het voornemen bestaat om de samenleving te hervatten. Naast dit vereiste kan ook worden gekeken of op grond van objectief waarneembare omstandigheden niet kan worden verwacht dat de samenleving binnen afzienbare tijd zal worden hervat. Van een objectieve waarneembare omstandigheid is sprake als een van beide partners aan een scheidingsadvocaat een opdracht heeft verstrekt om het huwelijk te ontbinden. Vanaf 2011 is het duurzaam gescheiden leven voor het fiscale partnerbegrip niet meer van belang. Dit geldt echter alleen voor gehuwden. Bij samenwonenden eindigt het fiscale partnerschap wel bij het verbreken van de samenleving.

Herleving partnerschap

Voorbeeld

 

Hans en Vera besluiten te scheiden. Zij dienen op 1 november 2014 een verzoek tot echtscheiding in. Vanaf die datum verblijft Hans op een ander woonadres. Ook in de gemeentelijke basisadministratie staat hij niet meer op hetzelfde woonadres ingeschreven. Op 1 maart 2015 besluiten Hans en Vera het huwelijk te ‘redden’. Hans schrijft zich op 1 maart 2015 in op zijn oude woonadres. In de periode van 1 november 2014 en 1 maart 2015 is het huwelijk niet ontbonden. Op grond van artikel 5a, lid 4, AWR is het fiscale partnerschap op 1 november 2014 beëindigd. Dit duurde tot 1 maart 2015. Op 1 maart 2015 is weer sprake van fiscaal partnerschap op grond van artikel 5a, lid 1, AWR. Aan de cumulatieve voorwaarden van lid 4 wordt niet meer voldaan. Doordat Hans en Vera zowel een deel in 2014 als in 2015 fiscale partners zijn, worden zij geacht het gehele jaar partner te zijn geweest.

Gevolgen voor de inkomstenbelasting

Gemeenschappelijke inkomstenbestanddelen

 

Zoals hierboven genoemd zijn echtgenoten geen fiscale partners meer van elkaar als voldaan is aan de vereisten van artikel 5a, lid 4, AWR. Ook is hierboven behandeld dat krachtens artikel 2.17 Wet IB 2001 (fictief) genoten vermogensbestanddelen en persoonsgebonden aftrekposten bij het doen van de aangifte onderling verdeeld mogen worden. Indien een verzoek tot echtscheiding of tafel en bed is gedaan, en één van de partners niet meer op dezelfde woonadres staan ingeschreven, vervalt daarmee het partnerschap krachtens artikel 1.2 Wet IB. Daarmee vervalt ook de mogelijkheid om de in artikel 2.17, lid 5, Wet IB 2001 opgesomde inkomensbestanddelen onderling te verdelen. Het gevolg hiervan is dat echtgenoten individueel belast worden over inkomstenbestanddelen die zij hebben genoten en die na de ontbinding van het huwelijk aan hen worden toegedeeld. Dit betekent doorgaans dat na het eindigen van fiscale partnerschap geen gebruik kan worden gemaakt van de voordelen die samenhangen met de verdeling van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. Toch biedt artikel 2.17, lid 7, Wet IB 2001 de mogelijkheid voor belastingplichtigen die een deel van het kalenderjaar een partner hebben, voor toepassing van artikel 2.17 Wet IB 2001 geacht het gehele kalenderjaar die partner te hebben. Voorwaarde is dat de belastingplichtige met zijn partner hiervoor moet kiezen. Zij moeten dit verzoeken in verband met het verzoek tot voorlopige teruggaaf of bij het doen van aangifte.

Afbeelding fiscale gevolgen echtscheiding

Echtscheiding en aanmerkelijk belang

Einde partnerschap

 

In het hoofdstuk ‘Algemene uitleg inkomstenbelasting’ onder box 2 is duidelijk gemaakt dat als een belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft in een vennootschap en dat aanmerkelijk belangpakket in de huwelijksgemeenschap valt, zijn echtgenoot daarmee ook aanmerkelijk belanghouder wordt. Indien het fiscale partnerschap eindigt (artikel 5a, lid 4, AWR) dan vervalt daarmee ook de aanmerkelijk belangstatus van de echtgenoten indien zij door de verdeling op grond van het huwelijksvermogensrecht onder 5%-grens vallen.

Voorbeeld

 

Hans en Vera hebben 6% van de aandelen in X BV. Op 1 november 2014 hebben zij een verzoek ingediend tot echtscheiding en staan niet meer op hetzelfde adres ingeschreven. Het niet langer fiscaal partner zijn heeft tot gevolg dat zowel Hans als Vera 3% van de aandelen krijgen in X BV. Dit heeft weer tot gevolg dat zij beiden geen aanmerkelijk belanghouder zijn in de zin van artikel 4.6 Wet IB 2001. Doordat beide echtgenoten geen aanmerkelijk belang hebben in X BV, worden beide echtgenoten geacht hun aandelen fictief te hebben vervreemd ex artikel 4.16 lid 1, onderdeel g, Wet IB 2001. Concreet betekent het dus dat indien beide echtgenoten afhankelijk zijn van elkaar om een aanmerkelijk belang te hebben, zij door het einde van de fiscale partnerschap hun aandelen fictief hebben vervreemd.Dit kan worden afgeleid uit artikel 4.16 lid 1, onderdeel g, Wet IB 2001. Dit artikel geeft aan dat het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang als een fictieve vervreemding wordt beschouwd.

Verdeling krachtens huwelijksvermogensrecht

In tegenstelling tot het voorbeeld dat in de vorige paragraaf is gegeven, betekent de verdeling krachtens het huwelijksvermogensrecht niet per se dat sprake is van een vervreemding van de aandelen. Hierbij moet gekeken worden of er sprake is van een verschuiving van rechten.

Wilt u meer weten over de kennisbank Personen- en familierecht? Vraag dan vrijblijvend online een demonstratie of een proefabonnement aan op de kennisbank of neem contact op via (070) 378 98 80.